Bild anklicken für die vergrößerbare Ansicht (IIIF).
Druckgraphik
Satyrische Darstellungen auf politische und historische Ereignisse: "Die stürzenden Monarchen"
- Inventarnummer
- GGr/Sch.I.164,0184
- Inventarnummer
- GGr/Sch.I.164,0184
- PID
- pid.klassik-stiftung.de/pid/300:24602
Radierung und Buchdruck
Beschriftung
Auf der Klistierspitze rechts unten: "Klister als int Jaar 1674" Im Bild zahlreiche weitere Beschriftungen teils schwer leserlich. Unter dem Bild: "Les Monarches Tombants". Rückseite Stempel "Goethes Besitz" und Goethe National-Museum Weimar", unten rechts mit Graphitstift "2917". "Les Monarches Tombants" Och! help Sint Jakob, `t is verbruit, / Men boent' er my soo sijntjes uit. / 7. Dit Duivels Beest agt toom nog spooren, Maer't is evenwel beter kronnn, als kop verloren; / En als `t op arrigst wil, nu myn saak is desperaat, / Smeek ik om gelt en volk myn Neef Deodaat; / Dat is' er ientje, schyt al de oude Helde, / Alexanders, Caesars, Augusten, daer de oude blaffers / soo veel wondere van melden, / Ja Roelant selfs neemt hy op, daerom ist / Dat ik ook soo een Monargh te worden, maer `t is / my gemist./ 5. 6. En nu raek ik van boven neer met wys en kint, dat de / Paters my soo geestig beschikte, / De droes voer hem op Marken, die `t de Prins verklikte. / 14. Waer door al `t Paepfe kraem, Outaer, Misboek, / Kelken, en al den horlement, / Ja onse Broodtgodt selfs, soo deerlyk sagen `t ent / Van onse inventie, en hoe onse Paepjes en Uyltjes, / die vast saten te broeyen, / En haer alsoo fatsoenlijk met Staatszaken begosten te / bemoeyen, / Soo op een sprong een voet kregen in `t gat. (gevat: / 9. Sy hadden als ik die Geuse Intriges niet gaau genoeg / Had ik geweten dat dit volk soo vait op haer godsdienst / was, (ras: / Ik had my dese doek niet voor d' oogen laten doen soo / Maer `t naklagen helpt hier niet, ik wil nog een kansje / wagen, / Om `t verlore weer te winnen, en als dit ook soo by- / ster komt te slagen, (steken: / Trek ik de kap aen, en wil elk een voort de oogen uit- / Dan word ik ligt nog wel een Sant, dan sullender nog / wel van my preken (uit sijn Ryk, / Van den Heiligen Sint James, door de Ketters verjaegt / Al is `t schoon dat ik soo ongedwongen neem de wyk. / Maer wil ik je in stilligheit eens war seggen? / De Duivel mag sig met een geruste conscientie tot sla- / pen gaen leggen. / 10. O Lord! nog arger tyding: ik hoor van verre roepen, / God bles the King William und the Queen Mary, van geest / en wereltlyke Lords en al de troepen. / 12. Men proclameert hem voor Koning, en my vervalle / van mijn regt, / En de Prins van Walles operaept en onegt. / Heer Deodaat hoe staen d'affairen? / 2. Seer slecht, sy schutten myn verkeeren. / Arkquyn / Deodaat. Maer al haer potsen sullen' er egter niet baten. / 11. 'k Steekt alles in de brant dat ik moet verlaten. / Eerst braef gebrantschat, dan geplondert, en voor dat / gelt (velt. / Hou ik van dit jer gemakkelijt mijn Soldaten in 't / Men moet financy soeken, want aers raekt de kas leeg. / Uit de Spaense Neerlanden en van de Spek kreeg ik 't / over vier of vyf jaer ook met soo een veeg. (fen, /11. 'k Heb aen Heydelberg geleert hoe dat ik 'er kan straf- / Die my in myn desseinen derven tegen blaffen: / Daer door ben ik Monarch geworden, en hou de heele / werelt in dwang. / Maer ay wie peutert my daer so van agteren? wie maekt / my so bang? / 1. Dat 's Kees oom borsje, je hebt de werelt al lang ge- / noeg bescheten, / `t Wort tijt om te purgeren van al dat gulsige en onma- / nierlijk vreten; (uit het Rijk, / Wy hielpen den eenen verdrukker des volks wetten / 't Wort tijt dat de andere ook neemt de wijk; / Jou zon eclipseert al, en de Palts moetje verlaten en / slegten, / Trouwe je meugt de vrede aen Europa weer geven als / je niet meer kunt vegten, (geloven / Dan is'er weer stof om Operaeste maken, en elk te doen /Datje 't katje van de baen zijt, en alle glory te boven. / 3. Courage dappere Monarch! wel waerom gezugt? / Engels Parlementsheer/ Hebje een hertsterking van doen? daer is een Oranje / vrugt, (raes, / Die opereert wonder wel met weinigh snorken of ge- / Die selje't water wel doen losen dat so prangt injeblaes, / En hebje een quaet humeurtje of eenige ontsteltenis, / Wy sullen 't 'er wel uit branden dat het zuiver is. / 13. Den Batavier met ons sullen d